Fantasie en werkelijkheid



Tijdens de kleuterperiode kan je kleuter fantasie en werkelijkheid nog niet uit elkaar houden. Een kleuter kan in zijn eigen magische wereld wonderen verrichten en beleeft avonturen waar hij helemaal in op kan gaan. Ze zien Sint op het dak. Hij bestaat écht voor hen en ze zien hem al op het dak lopen; ‘Echt waar, mam, ik heb hem écht gezien!.
Verhalen over krokodillen onder het bed en spoken op de gang klinken u niet vreemd in de oren. De manier waarop kleuters in hun eigen fantasiespel kunnen opgaan kan ook heel ver gaan. Prinsen en prinsessen, ridders en draken, de kleuter beleeft het allemaal heel intens.

Het doel van deze sociaal-emotionele ontwikkelingsfase is dat kinderen leren om beter om te gaan met bepaalde angsten en om hun verbeelding te prikkelen. Het prikkelen van de fantasie is goed voor de denkontwikkeling in het algemeen. Het kind leert associaties maken en verbanden leggen. Het bezweren van de angsten is een goede oefening voor de ontwikkeling van de realiteitstoetsing. Rond het zesde levensjaar heeft het kind de realiteitstoetsing redelijk te pakken. Pas dan kan het een onderscheid maken tussen fantasie en werkelijkheid.

Laat je kleuter (of peuter) zijn fantasie hebben, beleven en uiten. Corrigeer zijn fantasie en fantastische verhalen alleen, als zijn verhalen hem een gevoel van onveiligheid geven. Bijvoorbeeld, als het kind denkt dat spoken (zoals in tekenfilms) echt bestaan en hij daarom niet meer in het donker durft te slapen. Breng dan de realiteit aan door uit te leggen dat spoken niet bestaan. Zeg tegen een kleuter niet, over zijn sterke verhaal, dat hij liegt of zich vergist. Ga hem ook niet verbeteren. Laat hem zijn fantasie mogen hebben. Hij komt er zelf wel achter dat de werkelijkheid iets anders in elkaar zit dan hij nu, als kleutertje, denkt.

De volgende tips kunnen helpen om deze periode, waarin de scheidslijn tussen fantasie en werkelijkheid dun is, goed door te komen:

Sluit aan bij de belevingen van de kleuter. Stel vragen en laat hem uit vertellen. Je kunt het verhaal aanvullen met nieuwe woorden, die het kind kan oppikken en helpen. Met name bij een fantasieverhaal dat geen angsten oproept, kan dit leerzaam zijn.

Leg uit aan je kind dat bepaalde fantasieën niet bestaan. Stel je kind gerust en respecteer dat het kind tijd nodig heeft om bepaalde informatie te verwerken. Bijvoorbeeld dat draken niet bestaan, haaien niet in een sloot kunnen zwemmen en er geen lelijke heks in het bos achter je huis woont.

Lees sprookjes en andere verhalen voor. Praat samen over het verhaal en/of betrek je kind actief bij het voorlezen, zoals je kind dingen laten aanwijzen, benoemen, een mening te laten geven, etc.

Kijk kritisch mee met tv programma’s. Voor een kleuter is een verhaal op tv ook heel echt.

Leuk spel met je kleuter!
Samen een fantasieverhaal vertellen. De eerste die met dit sprookje gaat beginnen, begint met: “Er was eens….. een olifant.” Dan stopt hij en vraagt de ander verder te vertellen. En zo gaan jullie verder. Je mag best meer dan één zin vertellen, maar het is wel de bedoeling dat je steeds iets aan het verhaal toevoegt en op een spannend moment stopt. Je kunt ook een kookwekker als hulpje gebruiken. Als ouder kun je, je kind helpen door een vraag over hetgeen hij/zij verteld te stellen.

Heb je vragen of wil je hier meer over weten, neem dan contact met me op.

Sluit Menu